Het bespreekbaar maken van armoede kan ongemakkelijk zijn. Je kunt je immers voorstellen dat mensen zich schamen om het erover te hebben. Of dat ze het er überhaupt niet over willen hebben. Dat je het bespreekbaar maakt is wel belangrijk: die ander komt alleen verder als iemand een keer over dat ongemak heen stapt. 

 

Niet invullen voor een ander (NIVEA)
Je veronderstelt dat mensen zich schamen of het er niet over willen hebben. Of dat iemand boos op je zal worden. Het zijn dingen die je invult. Het hoeft natuurlijk helemaal niet te kloppen, maar het hindert je wel om een gesprek aan te knopen. Het helpt om datgene wat je invult te checken: "Vind je het goed dat ik je iets vraag?" Of: ”Ik zie <één van de signalen> . Mag ik daar iets over vragen."  

Het is altijd goed om je eigen gevoel te tonen: "Ik zie iets en ik vind het heel lastig om erover te beginnen." "Ik voel mezelf zo'n vervelende bemoeial, maar ik wil je graag helpen." Daarmee blijf je bij jezelf en stel je je kwetsbaar op. Vaak zal de ander dat waarderen en hetzelfde doen.

 

Luisteren, samenvatten en doorvragen (LSD)
Vaak geven mensen -tussen de regels door- belangrijke aanwijzingen. Een kleine opmerking over geld of dat ze iets heel duur vinden of bijvoorbeeld een grapje over financiële problemen. Het samenvatten van wat mensen zeggen, nodigt hen uit om meer te vertellen: "Dus je zegt eigenlijk dat ... etc... " of "Als ik je goed begrijp, bedoel je dat ... etc ...  " Een stap verder is dat je doorvraagt: "Als ik je goed begrijp, zeg je ... etc ... . Maar betekent dat ook dat ... etc ...?  "

 

Wat je vindt mag je houden
Een belangrijke oorzaak van schaamte is het oordeel van de ander. Dat betekent dat je te allen tijde moet voorkomen dat de ander denkt dat je een oordeel zou hebben. In plaats van een oordeel zijn feitelijke opmerkingen gepaster: wat je vindt hou je voor jezelf en wat je ziet kun je delen. Dat doe je dan natuurlijk wel netjes en passend bij het vertrouwen wat je onderling hebt. Dus in plaats van "Ik vind dat je er niet zo fris uit ziet." kun je feitelijk aangeven: "Je ruikt niet zo fris." In plaats van "Wat gek dat je geen cadeautje hebt." zeg je "Ik zie dat je geen cadeautje hebt." je vermeldt dus jouw neutrale waarneming en niet je mening of oordeel daarover.

Het expliciet benoemen van wat je waarneemt kan best pijnlijk zijn en alsnog een reden zijn voor ander om zich af te sluiten. Ook in dat geval is jouw waarnememing belangrijk: "Ik zie dat je dit lastig vindt. Dat vind ik ook." "Ik merk dat je het er liever niet over hebt, wanneer het nodig is, wil ik je graag helpen."

 

Ik moet helemaal niks!
Dat jij armoede en daarmee samenhangende problematiek vermoedt, betekent niet dat de ander afhankelijk is. Integendeel: In alle gevallen ligt de regie bij de persoon in kwestie: die bepaalt wat hij of zij zelf wil.

Je mag je beperken tot

  • signaleren van een (vermoedelijk) probleem,
  • dat probleem benoemen en bespreken, 
  • (met behulp van deze signalenkaart) mogelijke oplossingen suggereren  
  • mensen helpen met het organiseren van die oplossing.

Dat gebeurt allemaal met instemming van de ander en op zijn of haar initiatief.

Zinnen die beginnen met "Je moet ..." helpen daar niet bij. Beter zijn zinnen als: "Mag ik je wat ideeën aanreiken."  "Wat vind je ervan als we samen ..."

Maar daarbij gebruik van LSD: luister naar wat de ander wil, vat het samen en vraag door als de ander niet duidelijk is. Mensen die niet goed weten wat ze willen, bereiken het ook niet. Je kunt hen helpen door de goede vragen te stellen. Mensen die moeten doen wat jij wil daarentegen zullen nooit uit volle overtuiging structurele oplossingen voor zichzelf creëren.

 

Twijfel kun je delen
De signalenkaart armoede is geen simpele opteloefening met een zekere uitkomst. Het is maar de vraag of er geen andere oorzaak voor de kenmerken is dan armoede. En het is ook de vraag of een laag inkomen ook ervaren wordt als armoede.

Het is dus logisch als je het niet zeker weet. En hoe groter de twijfel, des te lastiger is het om erover te beginnen. In zo'n geval kun je je twijfel delen. Met een collega of een vriend of iemand anders die je hierin vertrouwt. Leg de situatie voor, beschrijf je vermoeden en vraag of de ander jouw vermoeden kan bevestigen of ontkennen en naar de argumenten daarvoor.

Als je een vertrouwenspersoon mist in je eigen omgeving, neem dan contact op met het maatschappelijk werk of het wijkteam in jouw gemeente. Deze social workers zijn erop getraind om te signaleren en te interpreteren. Samen kom je verder in een eventuele bevestiging van jouw vermoeden.  

Met zo'n bevestiging kun je met een beter gevoel het gesprek in met degene van wie je armoede vermoedt.